3 Waardering van natuur en landschap
in Theorie en praktijk van taxaties in het landelijk gebiedSearch for other papers by L.H.G. Slangen in
Current site
Google Scholar
PubMed
Sofortzugang erwerben (PDF-Download und unbegrenzter Online-Zugang):
Sofortzugang erwerben (PDF-Download und unbegrenzter Online-Zugang):
Op bestuurlijk niveau is er weinig of geen inzicht in de waarde van natuur en landschap. Dit maakt het nemen van beslissingen over natuur en landschap moeilijk. Voor het nemen van een juiste beslissing moeten immers alle kosten worden afgewogen tegen alle baten. De kosten zijn in veel gevallen relatief eenvoudig te bepalen, het in geld uitdrukken van de baten levert de meeste moeilijkheden op. De totale baten van natuur en landschap zijn te verdelen in een waarde die via het prijsmechanisme te meten is (de secundaire baten), en een waarde die niet via het prijsmechanisme te meten is.
De waarden die niet via het prijsmechanisme te bepalen zijn kunnen worden onderverdeeld in gebruikswaarden en niet-gebruikswaarden. De huidige gebruikswaarde duidt men aan met de term ’primaire baten’. De primaire baten zijn een maatstaf voor het maatschappelijk nut dat door burgers direct aan natuur en landschap wordt ontleend.
Men spreekt van een financiële analyse als uitgaven en inkomsten die samenhangen met aanleg en beheer van natuur en landschap (dus niet kosten en baten) met elkaar vergeleken worden. In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe een financiële analyse, in dit geval voor de overheid, uitgevoerd zou moeten worden. Een dergelijke financiële analyse zou verricht moeten worden door en voor alle partijen die zijn betrokken bij aanleg en beheer van natuur en landschap.
Bij een zogenaamde nationaal-economische analyse worden alle kosten en baten voor de hele samenleving tegen elkaar afgewogen, dus ook de kosten en baten die niet meetbaar zijn via het prijsmechanisme. Dit zijn twee wezenlijk verschillende benaderingswijzen. Beide behoren naast elkaar uitgevoerd te worden. Zowel de financiële als de economische analyse maakt onderdeel uit van het waarderingsproces. Daaruit blijkt in hoeverre er sprake is van marktbare en niet-marktbare baten.
Er zijn verschillende methoden die gebruikt kunnen worden om de niet via het prijsmechanisme meetbare baten te bepalen. Een onderscheid is te maken in indirecte en directe waarderingsmethoden. Indirecte waarderingsmethoden bepalen de waarde van een collectief goed aan de hand van de waar te nemen vraag naar complementaire private goederen waarvoor wel een marktprijs bestaat. Voor collectieve goederen bestaat immers geen marktprijs. De reiskostenmethode en de ’hedonic pricing’-methode behoren tot de indirecte methoden.
Bij de directe waarderingsmethoden maakt een respondent op directe wijze de waarde voor een collectief goed bekend. De ’contingent valuation’-methode is een dergelijke directe methode.
De reiskostenmethode is maar in beperkte mate geschikt om te worden toegepast voor het schatten van de niet-marktbare baten van natuur en landschap. De reisafstand van en naar natuur en landschap kan kort of nihil zijn. Dit betekent dat de te maken reiskosten geen goede afspiegeling kunnen zijn van de waarde van natuur en landschap. Het grootste bezwaar tegen de methode is echter dat bij toepassing de zogenaamde nietgebruikswaarden worden genegeerd.
De ’hedonic pricing’-methode is geschikt om de niet-marktbare waarde van natuur en landschap te schatten. Wel kan door het ’afstandseffect van Allen’ een onderschatting van de totale baten worden gemaakt. Allen (1985) stelt namelijk dat bij een bepaalde afstand tussen groen en onroerend-goed het effect van groen op de huisprijs niet meer waarneembaar is. Bij de ’hedonic pricing’-methode wordt een zogenaamde hedonische prijsvergelijking opgesteld. Deze vergelijking geeft de huisprijs als functie van zoveel mogelijk relevante verklarende variabelen, waaronder de hoeveelheid natuur en landschap in de buurt. Aan de hand van deze vergelijking is een vraagcurve naar natuur en landschap af te leiden. Aan de hand van de vraagcurve is het zogenaamde consumentensurplus te bepalen. Het consumentensurplus kan een goede maatstaf zijn om de waarde van natuur en landschap te meten.
De ’contingent valuation’ methode kan gebruikt worden om de totale niet-marktbare baten te schatten. De niet-gebruikswaarden worden bij deze directe methode impliciet geschat. Bij de CVM wordt respondenten op zeer directe wijze gevraagd naar hun betalingsbereidheid, ook wel ’willingness to pay’ genoemd. Door een zogenaamde WTP-vergelijking op te stellen kan net zoals bij de ’hedonic pricing’-methode de vraagcurve naar natuur en landschap worden afgeleid. Er kunnen bij deze methode verschillende afwijkingen (biases) ontstaan omdat er nogal eens een discrepantie blijkt te zijn tussen wat mensen ’zeggen’ en wat mensen daadwerkelijk ’doen’. De CVM is zowel toepasbaar op bestaande als op hypothetische situaties. Het beeld dat in hypothetische situaties aan de respondenten wordt voorgelegd, moet duidelijk te begrijpen zijn. Bovendien mag de rol van de interviewer niet zo groot zijn dat antwoorden worden beïnvloed zodat een bias ontstaat.
Bij het nemen van beslissingen over natuur en landschap moeten alle kosten vergeleken worden met alle baten. Zowel de via het prijsmechanisme meetbare baten, als de baten die niet via het prijsmechanisme meetbaar zijn, moeten worden geschat. De ’hedonic pricing’-methode en de ’contingent valuation’-methode lijken geschikt om deze totale baten te schatten. Voordat de methoden empirisch kunnen worden toegepast moet een aantal zaken nader worden onderzocht. Voor de ’hedonic pricing’-methode is de functionele vorm van de hedonische prijsvergelijking van belang. Bij de ’contingent valuation’-methode moet zoveel mogelijk getracht worden ’biases’ te vermijden, door een zo reëel mogelijk scenario aan de respondent voor te leggen. Bij deze methode moet veel aandacht besteed worden aan het specificeren van ’steekproefkader’ en ’payment vehicle’.